Bijbelauteurs waren professionele schrijvers
U bekijkt nu: pagina 1 van 2.
De auteurs van het Oude Testament waren profeten noch bevlogen charismatici, maar ambachtslieden, schrijvers van beroep. Karel van der Toorn ontnuchtert een romantische visie op bijbelschrijvers.
Wie waren de schrijvers van het Oude Testament? Zijn wens op deze vraag een antwoord te vinden, werd geboren uit nieuwsgierigheid, vertelt Karel van der Toorn in zijn fraaie bestuurskamer in het roemruchte Maagdenhuis aan het Amsterdamse Spui. „De onbekendste kanten van de geschiedenis, toegespitst op de periode van 2000 voor Christus tot het begin van onze jaartelling, boeien mij het meest. Mede door mijn werk als universiteitsbestuurder raakte ik bijzonder geïnteresseerd in de rol die intellectuelen hadden in de samenleving van het oude Israël en bij de totstandkoming van het Oude Testament.”
Wij kennen de cultuur van Israël en het vroege jodendom dankzij het Oude Testament – vrijwel de enige informatie die voorhanden is. „Het opmerkelijke daaraan is”, zegt Van der Toorn, „dat die Hebreeuwse Bijbel is ontstaan in een cultuur van het gesproken woord. Net als het oude Egypte en Mesopotamië, was het oude Israël een echt orale samenleving waarin niet meer dan vijf tot zeven procent van de bevolking op een behoorlijk niveau kon lezen en schrijven. Dat betekent dat het een heel kleine groep hoogopgeleide mensen moet zijn geweest, die verantwoordelijk is voor het beeld dat wij nu hebben van de beschaving van het oude Israël.”
Een intrigerende gedachte voor een universiteitsbestuurder, vindt hij, dat een kleine intellectuele elite zo’n enorme invloed en doorslaggevende rol kan hebben in een samenleving. „Het sterkt je zelfbewustzijn over de betekenis die je als universiteit kunt hebben, en mij maakte het automatisch nieuwsgierig naar wie die mensen dan waren.”
De bijbel zelf zegt weinig over de auteurs. Die zijn grotendeels onzichtbaar gemaakt in de teksten, door die op naam te zetten van bijvoorbeeld profeten. Ook de recente Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) maakt de bijbellezer niet veel wijzer op dit punt. In de NBV-inleiding op het Oude Testament staat: „Deze boeken zijn het werk van auteurs of redacteurs die men erkend heeft als woordvoerders van God te midden van hun volk. Velen van hen zijn onbekend gebleven. Een groot deel van hun werk is geïnspireerd door de overleveringen van de gemeenschap waartoe zij behoren.”
Met alleen de Bijbel in de hand, zo blijkt, kom je niet ver. De enige manier om echt antwoord te krijgen op zijn vragen, is vergelijkend onderzoek, zegt Van der Toorn. Kijk naar hoe het toeging in de Israël omringende culturen, want, zo luidt zijn wetenschappelijke overtuiging, er is geen reden om aan te nemen dat de situatie van de bijbelschrijvers in Israël fundamenteel zou afwijken van schrijvers in andere culturen in het Midden-Oosten. „Dat is een internationale wereld geweest, vergelijkbaar met de academische wereld van nu, met vrij cultureel en intellectueel verkeer. Je kunt dat ook zien aan teksten die soms vanuit de ene cultuur in de andere bekend zijn. Ook in het Oude Testament zijn stukken aan te wijzen die teruggaan op Armeense, Babylonische of Egyptische bron. En soms vind je in bijbelpassages termen terug die beter passen in een andere religieuze context dan de Israëlitische.”
Manuscripten uit de periode van de tweede tempel (500 tot 200 voor Christus), waarin de oudtestamentische teksten op schrift zijn gesteld, ontbreken in Israël. Maar Babylonië, Assyrië en Egypte bieden wel een schat aan handgeschreven documenten uit die tijd. Daaruit is een beeld op te maken, zegt Van der Toorn, hoe de – sterk op elkaar gelijkende – schrijversopleidingen in die landen eruit zagen. Vervolgens is hij in het Oude Testament naar sporen gaan zoeken, die dat beeld bevestigen. „En die zijn er. De alfabetische psalmen bijvoorbeeld, psalmen waarvan de zinnen steeds beginnen met een opeenvolgende letter van het Hebreeuwse alfabet. De als acrostichon gearrangeerde psalm is een typisch schrijversproduct. We kennen hem ook uit Mesopotamië en we weten dat die daar werd gebruikt als oefenmateriaal voor schrijvers.”
Van der Toorn heeft tijdens zijn onderzoek veel voorbeelden gevonden waaruit blijkt dat de schrijversopleiding in Israël grote overeenkomsten moet hebben vertoond met die in de omringende culturen. Daaruit komt naar voren, zegt hij, dat een schrijversopleiding veel meer was dan leren lezen en schrijven. „Het waren eigenlijk universitaire opleidingen. De schrijvers raakten helemaal doordrenkt van de producten van de geschreven traditie. De hoofdmoot bestond uit het zich eigen maken van de teksten, door ze uit het hoofd te leren. Het was immers aanvankelijk nog hoofdzakelijk een orale cultuur, waarin het schrift vooral als hulpmiddel diende bij de mondelinge voordracht.”
Opmerkelijk is ook, zegt hij, dat in de terminologie eigenlijk geen verschil werd gemaakt tussen overschrijven en zelf ontwerpen van nieuwe teksten. „Men had een ambachtelijke visie op het beroep van schrijver. Onze noties van intellectueel eigendom en originaliteit als belangrijke waarden speelden voor deze schrijvers uit de oudheid niet. Zij waren gericht op vakmanschap, niet op artisticiteit.”
In de Israël omringende culturen waren de schrijversopleidingen verbonden aan de tempels. Van der Toorn is ervan overtuigd dat dat in Israël niet anders was. „Wij danken het leeuwendeel van het Oude Testament aan de schrijverswerkplaats van de tempel in Jeruzalem – het intellectuele en religieuze centrum van het oude Israël.” De opvatting van sommige collega-wetenschappers dat de opleiding verbonden was aan het hof, vindt hij niet geloofwaardig. „Dan zou je meer propaganda voor het koningshuis verwachten, en bijvoorbeeld koninklijke wetten. Maar die ontbreken: we hebben de wetten van Mozes, niet die van Salomo.”
Natuurlijk, zegt hij, werkten er schrijvers in het paleis, in bestuur en hofhouding, „maar het hof is niet de plaats waar nieuwe teksten ontstaan, dat is toch echt de tempel.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- volgende pagina
Prof. dr. Karel van der Toorn (1956) studeerde in Parijs theologie en semitische talen – Hebreeuws, Aramees, Ugaritisch. Terug in Nederland kwamen daar nog Babylonisch, Assyrisch en spijkerschrift bij. Na zijn studie werd hij docent godsdienstwetenschappen aan de Vrije Universiteit, waar hij in 1985 promoveerde.
Van 1987 tot 1998 was hij hoogleraar antieke religies aan de universiteiten van Leiden en Utrecht, daarna (tot 2003) decaan van de faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Sinds september 2006 is Van der Toorn voorzitter van het college van bestuur van de UvA en van de Hogeschool van Amsterdam. In die functie volgde hij prof. dr. Sijbolt Noorda op, ook theoloog.
Karel van der Toorn is lid van het North American Biblical Colloquium en van de Steering Committee Hebrew Bible and Cognate Literature (Society of Biblical Literature).






Stuur artikel door