Ethiek / Gewetenspaus van Duitsland weet wat goed is
U bekijkt nu: pagina 1 van 2.
In Duitsland heet hij de ’ethiekdokter’ en zelfs ’gewetenspaus’, dankzij zijn columns in de Süddeutsche Zeitung en een eigen tv-programma. Gesprek met de Beatrijs Ritsema van de Duitse moraal: Rainer Erlinger.
Rainer Erlinger is een bekende Duitser, gevraagd spreker op tv (’Richtig Leben’, WDR) en radio. Maandelijks stellen vele tientallen lezers hem alledaagse, ethische vragen voor de rubriek ’De gewetensvraag’ in de Süddeutsche Zeitung (SZ). De SZ, zegt Erlinger, wilde vijf jaar geleden een ethiekrubriek, afgekeken van Amerikaanse kranten. De hoofdredacteur benaderde Erlinger, arts en jurist, en tweemaal gepromoveerd. Die schreef al voor de SZ over bio-ethiek, medische ethiek en rechtsfilosofie.
De column was meteen een ’schot in de roos’, zegt Erlinger. „We hebben een vaste lezersschare.”
De antwoorden van de ethicus zijn ’zeker niet’ moralistisch, zegt hij zelf. „Dat zou ook tegen het idee van de column indruisen.”
De vragen zijn alledaags. Een lezer uit Münster schrijft dat hij midden in de nacht op de fiets bij een leeg kruispunt komt. Het stoplicht staat op rood, maar hij fietst meestal door. Hij let er natuurlijk op dat hij niemand in gevaar brengt en kijkt ook goed uit of er geen politieauto in zicht is. Toch heeft de fietser een slecht geweten en hij vraagt zich af of hij uit ethische overwegingen ’s nachts ook zou moeten stoppen als er toevallig geen politie aanwezig is, of dat dat niets uitmaakt.
Andere kwestie: een lezer uit Brühl wordt, zoals iedere automobilist weleens gebeurt, door tegenliggers met hun koplampen attent gemaakt op radarcontrole. Hij schrijft dat je dan langzamer gaat rijden en blij bent niet geflitst te worden. En dan de vraag: ’Mag je andere auto’s met knippersignalen waarschuwen dat er verderop radarcontrole is? Want het doel van die controle is dat automobilisten langzamer rijden, wat ze doen als hij hun een teken geeft. Móet hij ze daarom niet zelfs waarschuwen?’
In zijn boek ’Gewissensfragen’ gaat Erlinger er uitgebreid op in, zich baserend op Plato, op rechtsfilosofische literatuur, en – voor die radarcontrole – op Kants categorische imperatief.
Het gaat bij het stoplicht, stelt Erlinger, om de abstracte vraag of het per se onethisch is om de wet te overtreden. „Socrates vond de dood omdat hij nu juist de wetten wilde naleven. Recenter schreef rechtsfilosoof Norbert Hoerster uit Mainz dat een functionerende rechtsorde – in tegenstelling tot anarchie – in het belang van allen is, en dat wie van zijn medeburgers verwacht dat zij het geldende recht naleven, moreel verplicht is hetzelfde te doen. Met uitzondering van bijzondere gevallen is een handeling die het recht schendt dus onjuist. Hetgeen niet uitsluit dat ze om andere redenen wel juist en misschien zelfs geboden kan zijn – redenen die ik echter bij door het rode stoplicht fietsen niet kan ontdekken.”
Maar, weet Erlinger, de vraagsteller op de fiets is geen Socrates en wil niet in de rechtsfilosofie afstuderen, maar gewoon naar huis fietsen. En diep in de nacht, eenzaam en verlaten, brengt hij niemand in gevaar brengt. Ook is hij geen slecht voorbeeld voor kinderen.
Erlinger: „Dan schiet mij geen dwingend argument meer te binnen waarom de fietser een slecht geweten zou moeten hebben.”
Bij de radarcontrole gebruikt de lezer twee bekende ethische principes: de gulden regel en Kants categorische imperatief. „De gulden regel is: behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden. Hij is echter subjectief, verwaarloost de plichten die je ook tegenover jezelf hebt en geeft geen absolute maatstaven voor algemeen gedrag. Dat doet de categorische imperatief wel: handel uitsluitend naar het ’maxime’ waarvan je tegelijk kunt willen dat het een algemene wet wordt.”
„De lezer wil te snel rijdende automobilisten waarschuwen en zo uit altruïsme voor straf behoeden. Dit als algemene wet kan hij niet willen, omdat hij inziet dat radarcontrole dient om racen te voorkomen. Was het maxime anderen altijd te waarschuwen een wet, dan zouden de controles niets meer uithalen, omdat ze zonder hun verrassingseffect hun algemene preventieve functie verliezen. Als je je aan de categorische imperatief houdt, is waarschuwen dus niet te verdedigen, ook al beveelt de gulden regel dat wel aan, omdat je zelf blij bent als je gewaarschuwd wordt.”
Erlingers boek ’Lügen haben rote Ohren’ is in het Nederlands vertaald als ’Mag je liegen? en andere gewetensvragen voor grote en kleine mensen’. Volgens de auteur zijn er veel inleidingen in de ethiek, maar was er niets voor mensen die ’gewoon belangstelling voor ethiek en de theorieën ervan hebben en geen basisdiploma moraalfilosofie willen halen’. „Bovendien zijn de meeste boeken nogal wetenschappelijk geschreven en voorzichtig uitgedrukt lastig te lezen.”
Erlingers aanpak: hij plaatst de vragen en de oplossingen in situaties en gesprekken in een gezin. Hoofdpersonen zijn Ferdinand (13) en zijn oom Godfried. Ferdinand klopt met alle moeilijke morele en wijsgerige vragen bij zijn oom aan; van zin ouders krijgt hij meestal geen goed doordacht antwoord.
Oom Godfried grijpt steeds naar zin boeken. Door Ferdinand merkt hij dat hij niet alwetend is. Bijvoorbeeld over liegen, waarom je je aan regels zou houden, of je verantwoordelijk bent voor het milieu, wat wetten en regels betekent, hoe moraal zich ten opzichte van beleefdheid verhoudt. En natuurlijk gaat het ook over seks.
Rainer Erlinger is een veertiger, geboortejaar 1965.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- volgende pagina





Stuur artikel door