Interview / Wij dragen onze doden door de nacht
U bekijkt nu: pagina 1 van 2.
Ze waren meer dan vijfendertig jaar bevriend. Toen kreeg Bart van Mierop te horen dat hij een ongeneeslijke hersentumor had. Tijdens de laatste maanden van zijn leven las zijn vriend, de schilder Dick Stoffers, hem voor uit de ’Odyssee’ van Homerus. En na zijn dood begon Stoffers schilderijen te maken, over zijn vriend, over hun verleden, over zijn aangekondigde dood, over zijn sterven, over het verlies. Telkens opnieuw schilderijen over zijn vriend.
Die schilderijen hangen nu in rijen aan de wanden van zijn atelier in Ankeveen. Kleurrijke, vierkante werken zijn het, met vlakken, golven, vogels, en vaak een persoon op de rug gezien.
Stoffers: „Ik verbeeldde me, nee, ik hoopte dat ik die schilderijen niet hoefde toe te lichten. Dat bleek een illusie. Men begreep niet wat ik verbeeldde.”
„Toen ben ik er gedichten bij gaan maken”, vult Mariët Mesdag aan. „Ik wilde Dick bereiken, want zijn schilderijen en zijn verdriet om zijn vriend waren een gesloten geheel geworden.”
Mesdag, bevriend met Stoffers, is psychotherapeut van beroep. Niet verwonderlijk dat zij deze schilderijen zag als fasen in een rouwproces. „In Nederland hoor je vaak dat kunst er niet is om emoties uit te drukken, maar om emoties op te roepen. In Griekenland heeft millennialang een kunstvorm bestaan waarin zowel emoties worden uitgedrukt als opgeroepen: de rouwklacht.
Hoewel deze traditie de laatste jaren snel aan het verdwijnen is, heeft Mesdag verschillende keren meegemaakt dat een kring vrouwen rondom een sterfbed dagenlang klaagliederen zingt, die half geïmproviseerd zijn, maar een vast stramien volgen.
Mesdag: „Op een cadans draagt een voorzanger het lied voor. Zegt iets als: ’Jij was mooi als een cipres. Ons huis schitterde in de straling van jouw takken’.”
„Zulke oerthema’s worden afgewisseld met kenmerkende strofen over de gestorvene, waarin ook de negatieve kanten worden bezongen. Nu is het niet de voorgangster die zingt, maar een van de andere aanwezigen. En het kan over alles gaan wat ze op haar lever heeft: ’Jij was elke avond dronken en sloeg je vrouw.’
De vrouwen lamenteren tot de kist in de aarde verdwenen is. Drie dagen na de begrafenis herhalen ze de rouwklacht.
Na negen dagen is er een herdenkingsdienst, na veertig dagen weer, en na drie maanden opnieuw, na een half jaar, na een jaar. Rouw is daar een sociaal gebeuren. Dat kennen wij nauwelijks meer. Wij hebben weinig vormen voor ons verdriet, voelen ons er verlegen mee. Het gevaar daarvan is dat de achterblijvers vereenzamen.”
Maar wat moeten we doen? Traditionele kerkdiensten hebben voor velen hun geloofwaardigheid verloren, allerlei nieuwe rituelen zijn even snel bedacht als vergeten. En het past ons ook niet om aan het sterfbed een Griekse klaagzang aan te heffen.
Mesdag: „Bij die Griekse rouwrituelen valt vooral de nabijheid op. Vrienden en buren gaan elke dag bij de rouwenden op bezoek, met eten, met troost.”
Stoffers knikt: „Je moet dichtbij iemand blijven. Daar is moed voor nodig, we hebben aanvankelijk allemaal de neiging af te haken. Toen ik ging voorlezen uit de Odyssee realiseerde ik me dat ik het goed moest doen, niet moest gaan zitten janken.”
Hoe voorkom je dat? Stoffers: „Ik schreeuw altijd: je moet het vorm geven. Het is niet zo dat verdriet pas inhoud krijgt als je het vormgeeft, het is wel zo dat de inhoud duidelijker wordt.”
Mesdag: „Als je het vormgeeft, daal je dieper in het verdriet af. Er is een laag in ons bewustzijn, misschien kun je dat het collectieve bewustzijn noemen, waar beelden vandaan komen die voor iedereen geldig zijn. Bij de Griekse klaagzangen zijn het de oerbeelden die in het gezang naar voren komen: vogels die niet meer zingen, bomen die omvallen, oeroude heidense beelden naast christelijke symboliek.”
Al schilderend merkte Dick Stoffers iets vergelijkbaars. „Er kwamen heel sterke beelden in mij op. Die waren van mij – dacht ik. Later bleken deze beelden Tibetaanse gebedsvlaggen te zijn, die driehonderd jaar geleden ook al bij rouw gebruikt werden.”
Die oerbeelden vermengden zich met specifieke beelden, bijvoorbeeld de ruitvormige figuren. „Wij hebben in onze jeugdjaren ongelooflijk veel gevliegerd”, vervolgt Stoffers. Hij wijst op een schilderij met een man, die op de rug gezien een manshoge vlieger voor zich houdt. Boven hem hangt een reusachtige vogel. „Op een dag, ergens in het broedseizoen, waren we aan het wandelen in een polder ten noorden van Amsterdam. We hadden een roeiboot gehuurd, na een tijdje kwamen we op een grasveld waar het barstte van de meeuwen. Stort er op een gegeven moment een meeuw uit de lucht. Ik zag die meeuw, ik dacht: nu bijt hij in zijn kop. Het gebeurde niet, de meeuw scheerde vlak boven Bart langs.”
„Dat zijn van die omineuze gebeurtenissen”, zegt Mesdag, „die later pas betekenis krijgen. De neerduikende meeuw is een beeld geworden van de vooraankondiging van de dood. Zo is het ook in het gedicht ’Omen’ komen te staan.”
Zij pakt het boek op en begint voor te lezen:
Toen was daar plotseling
Een grote vogel boven jou
Die roerloos stond te bidden,
Een jager met een feilloos oog
Azend op prooi – ik zie het nog
En hoe jij nietsvermoedend
boog.
Stoffers: „Mariët ontdekte een verhaal in mijn schilderijen, zij heeft de afzonderlijke werken kunnen binden.”
Mesdag: „Er zijn schilderijen die het moment verbeelden vlak na het overlijden. Daaruit spreekt een wanhopig protest. Ik heb daarbij een gedicht gemaakt dat eindigt met de woorden: ’Zeg dat het nooit gebeurd is/ Een dwaalweg, niet begaan/ Kom terug!’.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- volgende pagina

De regering-Erdogan laat de teugels zachtjes vieren. Volgens een nieuwe wet mogen ’musea' als het Sumela-klooster in Turkije eens per jaar weer als kerk gebruikt worden.




Stuur artikel door