Het is nog te vroeg om het christendom af te schrijven
Heeft Simon Vestdijk gelijk gekregen? Hebben zijn idealen zich in razend tempo gerealiseerd? Hebben socialisme en boeddhisme de dominante rol die het christendom eeuwenlang heeft gespeeld, overgenomen? Is de toekomst der religie inderdaad al begonnen?
U bekijkt nu: pagina 1 van 5.
’Pantheïsten zijn geen socialisten, omdat zij solidariteit slechts waarderen voorzover zij er zelf belang bij hebben. En het zijn zeker geen boeddhisten, omdat zij niet in staat zijn de wereld met een glimlach tegemoet te treden. Pantheïsten gaan er vanuit dat hun eigen innerlijke drijfveren serieuze aandacht en respect verdienen alleen al vanwege het feit dat zij individuele expressies zijn van een ’zelf’ dat goddelijke proporties heeft aangenomen.’
Eens, op een morgen, zou de christen ontwaken en zich afvragen: ’Ben ik niet eigenlijk een boeddhist?’ Althans dat geloof en die hoop sprak Vestdijk uit in zijn destijds geruchtmakende essay De toekomst der religie (geschreven in 1943, verschenen in 1947).
Volgens Vestdijk zou het christendom onvermijdelijk, zij het langzaamaan, een zachte dood sterven. Toenemende bevolkingsdichtheid en iets dat we nu globalisering zouden noemen, gevoegd bij de emancipatie van de arbeidersklasse zouden daar een bepalende rol bij spelen. Deze ontwikkelingen lieten steeds minder ruimte voor metafysische waarheidsaanspraken (met God als alfa en omega). Daarmee zouden ook de intolerantie en strenge moraal op het terrein van de seksualiteit (verbeeld in het goddelijke huisgezin van Vader, Zoon en Heilige Geest) als vanzelf verdwijnen. En bovendien zou het de mensheid verlossen van een zijns inziens overdreven zondebesef en van het verlossingsmotief (in de vorm van Christus’ plaatsvervangende kruisdood). De nieuwe mens zou leren - al was het maar uit overwegingen van leefbaarheid - andermans opvattingen te respecteren, daarop gebaseerde levensstijlen te tolereren en de waarde van het gezin als vanzelfsprekende hoeksteen van de samenleving te relativeren.
Herhaaldelijk is beweerd dat een dergelijke ontwikkeling in Nederland al volop aan de gang zou zijn. Het christendom beperkte zich steeds meer tot de privé-wereld van burgers. Bovendien leek door een toenemende secularisering het definitieve einde van de religie, waarnaar vele verlichte geesten uitzagen, nabij.
De vraag is echter in hoeverre de wens hier de vader is van de gedachte. Zo had Menno ter Braak beweerd dat wij allen het christendom met ons meedragen, hoezeer we ons er ook tegen verzetten. En Vestdijk meende dat wij ’’ergens in onze instincten nog ’goede’ christenen zijn, in God geloven, in het hiernamaals en in het zoenoffer van Christus’’.
Natuurlijk, ook volgens Ter Braak waren de ’oude christenen’ op sterven na dood. En Vestdijk zag op de lange termijn geen toekomst voor het christendom. Veel van zijn mede-intellectuelen wilden maar al te graag geloven dat deze godsdienst plaats zou moeten maken voor het socialisme. Zolang men hen maar niet al te zeer vereenzelvigde met de massa’s goedgelovigen die ook werkelijk in de heilstaat geloofden.
Politiek hadden ze zich weliswaar tot het socialisme bekeerd (ze hadden tenslotte toch een verhaal nodig om de massa’s voor zich te winnen), maar intellectueel leken ze meer op de boeddhist (zij hadden zo, nu ja vooruit, hun idealen; maar ze wisten die idealen te relativeren en alternatieve opvattingen te tolereren; geen idealen, maar goede bedoelingen en gevoelens - daar draaide het uiteindelijk om!).
Heeft Vestdijk gelijk gekregen? Is het waar dat Vestdijk’s idealen zich na het verschijnen van zijn essay in razend tempo hebben gerealiseerd? Hebben socialisme en boeddhisme de dominante rol die het christendom eeuwenlang heeft gespeeld, overgenomen? Is de toekomst der religie inderdaad al begonnen? Laten we daarvoor eens kijken wat de socialistische en soloreligieuze alternatieven van vandaag te bieden hebben, en bezien in hoeverre dat overeenkomt met Vestdijk’s ideeën omtrent de toekomst.
Ondanks het feit dat socialisten, met name de christelijke theologen onder hen, Vestdijk fel bekritiseerden, deelden ze zijn intellectuele zoektocht naar een nieuw evenwicht tussen maatschappelijke verantwoordelijkheid en individuele vrijheid. Wat hen verenigde was een diepe afkeer van de verzuilde structuren die het publieke leven in Nederland sinds het einde van de negentiende eeuw gedomineerd hadden. Als ’vrijzwevende intellectuelen’ meenden zij dat het oude denken in termen van kerkelijke denominaties (katholiek dan wel gereformeerd) diende plaats te maken voor een solidariteit die niet beperkt bleef tot de leden van de eigen groep.
De meest uitgesproken linkse intellectueel van dit moment, Dick Pels, heeft er recent nog op gewezen dat iemand als de ’rode dominee’ Willem Banning binnen zijn sterk ethisch-christelijk getinte opvatting van het socialisme uiteindelijk de solidaire (politieke) gemeenschap het primaat toekende. ’Solidariteit’ paste naadloos binnen de visie die Vestdijk op het socialisme ontwikkelde (streven naar totaliteit in gemeenschap met de medemens), terwijl het via spreekbeurten en publicaties van intellectuelen die de zogenaamde Doorbraak nastreefden tenslotte tot politieke slogan van de PvdA zou worden verheven.
Maar ondanks alle overeenkomst tussen Vestdijk en de leidslieden van de PvdA openbaart zich op het praktisch-politieke vlak een fundamenteel verschil van inzicht. Terwijl Vestdijk zich beperkte tot theoretische uitwijdingen over een toekomst waarin maatschappelijke veranderingen vanzelf tot andere vormen van religie zouden leiden, streefden de Doorbraak-socialisten een actieve politiek van maatschappijhervorming na. Dacht Vestdijk in termen van millennia, de PvdA vond dat een gelijke verdeling van geld, middelen en macht in enkele decennia ook daadwerkelijk viel te realiseren.
En ook al heeft het ideaal, sinds Wim Kok meende zijn ideologische veren te moeten afschudden, niet zo heel veel pleitbezorgers meer, er zijn nog altijd intellectuelen die zich sterk maken voor een herleving van de oude socialistische waarden. Mensen als de eerdergenoemde Dick (’het progressieve antwoord’) Pels, Jan Willem (’waar blijft de politiek?’) Duyvendak en Evelien (’tegen de conservatieve mannelijkheid’) Tonkens vormen de voorhoede van een nieuwe generatie spraakmakende intellectuelen.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- 3
- 4
- 5
- volgende pagina

Kenner van het geheugen, Douwe Draaisma, stelt lastige vragen aan vooraanstaande denkers over 'vergeten', 'herinneren' en 'verdringen'. Maar wat betekenen deze zaken voor u? Schrijf het op en maak kans op een publicatie in de krant.



Stuur artikel door