Hoe de PvdA het onderwijs vernieuwde
U bekijkt nu: pagina 1 van 4.
Hoe komt het dat de politiek zich bij de ’vernieuwing’ van het voortgezet onderwijs zo weinig gelegen heeft laten liggen aan de wensen van de ouders? Onderwijsdeskundige Leo Prick heeft zich die vraag vaak gesteld. Het antwoord staat in het gisteren verschenen boek ’Drammen Dreigen Draaien. Hoe het onderwijs twintig jaar lang vernieuwd werd’ dat Prick schreef in opdracht van de stichting Wetenschap en Democratie.
Afgelopen week werd de uitslag van de Cito-toets bekendgemaakt. Daar werd door ouders en leerlingen met spanning naar uitgezien. Logisch, er hangt veel van af. Dat door de ouders nu veel meer dan vroeger betekenis wordt toegekend aan die toets, is het gevolg van de ontwikkeling die het onderwijs de laatste jaren heeft doorgemaakt. De invoering van het vmbo heeft namelijk geleid tot een tweedeling in het voortgezet onderwijs. Met aan de ene kant vmbo en aan de andere kant havo/vwo, is de doorstroming zoals we die vroeger kenden van mavo naar havo, welhaast onmogelijk geworden. Hierdoor heeft de schoolkeuze na de basisschool een beslissend karakter gekregen. Daar komt bij dat, als gevolg van de schaalvergroting, ouders bij de schoolkeuze steeds afhankelijker zijn geworden van het oordeel van de schoolbesturen. In sommige streken of gemeenten is zelfs sprake van gedwongen winkelnering: monopolistische schoolbesturen bepalen op grond van de score op de Cito-toets naar welke school uw kind dient te gaan. Of waar uw kind dient te wonen om op de school te mogen worden toegelaten.
Het onderwijs is de afgelopen twintig jaar de speelbal geweest van omstreden experimenten waarbij de verantwoordelijke bewindslieden zich lieten leiden door politiek prestige, de waan van de dag en de angst voor gezichtsverlies. Met een onafgebroken stroom aan ingrijpende ’vernieuwingen’ (basisvorming, studiehuis, tweede fase, vmbo) dicteerde de Partij van de Arbeid tot voor enkele jaren het onderwijsdebat. Coalitiepartners CDA en VVD gingen daarin mee zolang zij daar politiek voordeel mee dachten te behalen. Want zo belangrijk was onderwijs niet: voor hen diende het als wisselgeld voor sociaal-economische hervormingen, voor zaken dus die er werkelijk toe deden.
De door de PvdA voorgestane onderwijspolitiek werd beheerst door de idee van de maakbare samenleving. Het belangrijkste verzet daartegen kwam van de leraren. Leerlingen, zo wisten zij uit ervaring, zijn slechts tot op beperkte hoogte maakbaar. Omdat zij bezwaren tegen het gevoerde beleid naar voren brachten, werden leraren door de onderwijshervormers gezien als dwarsliggers naar wie je maar beter niet kunt luisteren. Kenmerkend voor het onderwijsbeleid zoals dat de afgelopen decennia werd gevoerd was dan ook zijn leraarvijandige karakter. Bedenkingen vanuit de praktijk werden afgedaan als onwil of conservatisme, met als gevolg dat het onderwijsbeleid zich helemaal los kon zingen van de dagelijkse lespraktijk.
In de jaren zeventig had de PvdA onder aanvoering van onderwijsminister Van Kemenade een plan ontwikkeld tot invoering van de middenschool: één school voor alle leerlingen van 12-15 jaar. Vervolgens zouden de leerlingen de keuze maken naar welk type onderwijs zij zouden doorstromen. Uitstel dus van schoolkeuze in de verwachting dat dit ertoe zou leiden dat die keuze meer zou worden ingegeven door de kwaliteiten en interesses van de leerling dan door de sociale achtergrond van de ouders. Dit plan stuitte op veel weerstand bij leraren en ouders en belandde in de ijskast toen het CDA regeringspartner PvdA inwisselde voor de VVD, die er nooit twijfel over had laten bestaan de middenschool te beschouwen als verwerpelijke eenheidsworst. Nadat deze twee partijen twaalf jaar lang vrijwel onafgebroken hadden geregeerd, zag Lubbers zich in 1989 gedwongen om, bij het formeren van zijn derde kabinet, in zee te gaan met de PvdA. Daarmee keerden de socialisten na jarenlange oppositie terug in de regering.
Het waren sombere tijden. Nederland maakte een periode door van economische malaise die nog een aantal jaren zou aanhouden. In het regeerakkoord eiste de PvdA als wisselgeld voor de hervorming van de WAO en bezuinigingen, de invoering van een basis gezondheidsverzekering en de basisvorming in het onderwijs. Al snel werd duidelijk dat die gezondheidsverzekering van staatssecretaris Simons het niet zou redden. Daarom werd alles ingezet op de basisvorming. Daarover werd in het regeerakkoord vastgelegd dat alle leerlingen in de eerste leerjaren van het voortgezet onderwijs dezelfde veertien vakken dienden te volgen, afgesloten met een voor iedereen gelijk examen.
Een werkgroep van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid had, onder voorzitterschap van Kees Schuyt, eerder al een voorstel gedaan voor een vorm van basisvorming. Dat voorstel hield in dat alle scholen in de eerste drie leerjaren dezelfde vakken zouden behandelen. Deze zouden worden aangeboden op twee niveaus. Daarnaast zouden de allerzwakste leerlingen de mogelijkheid krijgen om meer op de praktijk gericht onderwijs te gaan volgen. Wat betreft de schooltypen, vbo (voorbereidend beroepsonderwijs), mavo, havo en vwo, zou er niets veranderen.
De ideeën zoals die door de PvdA werden afgedwongen in het regeerakkoord, weken hier wezenlijk van af. Voor alle leerlingen, van vbo tot vwo, dezelfde veertien voornamelijk theoretische vakken, afgesloten met landelijke, uniforme toetsen met voor alle leerlingen dezelfde eisen. Dus één niveau voor alle leerlingen. Ook van meer praktijkonderwijs voor de allerzwaksten wilde de PvdA niet weten. De bestaande schooltypen bleven weliswaar gehandhaafd, maar er zou een actief stimuleringsbeleid tot schaalvergroting worden gevoerd. Kleine scholen moesten verdwijnen. De gedachte was duidelijk: als alle scholen in de eerste drie leerjaren verplicht werden tot hetzelfde programma met dezelfde eisen, en ze tevens dienden te fuseren tot grote organisaties, wat lag dan meer voor de hand dan dat scholen zouden besluiten om die eerste leerjaren op aparte locaties onder te brengen. Daarmee zou alsnog de middenschool worden ingevoerd. De basisvorming, dat was duidelijk, moest genoegdoening verschaffen voor het echec van de middenschool. Die wonde bleek nog lang niet te zijn geheeld en daarover lieten partijleider Wim Kok en fractievoorzitter in de Tweede Kamer Thijs Wöltgens geen twijfel bestaan: ’De middenschool is er nooit gekomen, wij beloven u dat de basisvorming er wel komt.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- 3
- 4
- volgende pagina




Stuur artikel door