Wie legde de mijnen?
In het Demjanjuk-proces is deze week een groot hoorcollege begonnen, het zou het begin moeten zijn van de bewijsopname.
Drie dagen zijn er ingeruimd voor dr. Dieter Pohl, onderzoeksmedewerker van het Instituut voor Hedendaagse Geschiedenis in München. Na de ouverture met getuigenissen van nabestaanden, die naam en gezicht gaven aan hun in Sobibor omgebrachte familieleden, zouden we nu afdalen in de historische werkelijkheid van die oorlogsjaren, en dan met vooral in die gapende afgrond die de nazi’s het Generaal Gouvernement noemden, het bestuursdistrict van Oost-Polen: van Warschau, Krakau, Radom en Lublin. In dit laatste onderdistrict, dat van Lublin, dun bevolkt, afgelegen, maar voorzien van een spoorwegennet, zouden de eerste drie vernietigingskampen – van Belzec, Sobibor en Treblinka – gebouwd worden.
Dieter Pohl heeft zich in deze geschiedenis gespecialiseerd, en begon, aangevangen bij de oprichting van de NSDAP in 1920, in grote lijnen de aanloop en uitvoering van de massamoord te schetsen.
Het was stil in de rechtszaal, Demjanjuk lag weer op zijn bed, roerloos onder een dekentje, zijn gezicht onder zijn pet verborgen. Om hem niet te verblinden had men twee lichten in het plafond uitgedraaid, maar die pet bleef evengoed op dat gezicht rusten. Hij had in slaap kunnen vallen, als niet de vrouwelijke tolk hem de voordracht van Pohl had toegefluisterd.
Pohl, een frisse mid-veertiger, heeft in meerdere processen als getuige-deskundige opgetreden en is door het Openbaar Ministerie mede uitgenodigd om zijn kennis van Trawniki, het SS-opleidingskamp waar Demjanjuk van Sovjet-krijgsgevangene tot kampbewaker in Sobibor zou zijn omgevormd. Maar aan Trawniki kwamen we de eerste dag nog niet toe.
Daaraan droeg Demjanjuks raadsman, Ulrich Busch, voor een goed deel bij: hij had de zittingsdag geopend met een kleine, en nu al bijna rituele vloed aan vorderingen: van het uitsluiten van de mede-aanklagers tot de opname van stukken uit meerdere buitenlandse archieven en de eis tot schorsing van het proces, omdat de verdediging stukken niet zou hebben kunnen inzien die door het Openbaar Ministerie wel waren geraadpleegd.
En aan het eind van Pohls uitvoerige algemene inleiding, die overigens bittere details bevatte over de getto-ontruimingen en deportaties van Poolse joden (tijdens een transport in juni 1943 stierf bijna iedereen), ging het steekspel verder, vooral toen werd ingegaan op de vraag wie de mijnenvelden rondom Sobibor had aangelegd.
Dat waren naar Pohls inschatting geen Trawniki-mannen of gevangenen geweest, maar ’Duitse kampfunctionarissen’. Dat antwoord kwam Busch gelegen – het leek deze mogelijkheid van desertie, een vlucht uit het kamp, voor zijn cliënt uit te sluiten. De Trawniki zaten even zo gevangen als de joodse dwangarbeiders.
Onder de pet bewoog niets.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.





Plaats een reactie
Stuur artikel door