Handelsministers verschillen al zeven jaar van mening
Dit wordt het moment van de waarheid, voorspelt topman Pascal Lamy van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) .
Handelsministers uit de 152 aangesloten landen zitten vanaf maandag bijeen in Genève om te praten over verdere liberalisering van de wereldhandel, met name op het gebied van landbouw en industrie.
Sceptici hechten weinig waarde aan de woorden van Lamy. In de zogeheten Doha-handelsronde, vernoemd naar de hoofdstad van Katar waar de onderhandelingen in 2001 van start gingen, is tot nu toe weinig tot geen resultaat geboekt. De handelsministers uit de Verenigde Staten, de Europese Unie, Brazilië en India verschillen al zeven jaar lang met elkaar van mening.
Zo weigeren de Verenigde Staten hun subsidies voor boeren af te schaffen en is Europa niet van plan invoertarieven van agrarische producten te reduceren als Brazilië, India en China hun grenzen niet opengooien voor industriële producten en diensten uit Europa.
Ondanks het eeuwige verschil van mening, rekenen optimisten op een doorbraak in de Geneefse Doha-ronde. Ten eerste omdat de WTO haar huiswerk deze keer goed gedaan heeft. Er liggen duidelijke voorstellen op tafel, waardoor ieder land – meer dan in het verleden – weet waar hij aan toe is. De Verenigde Staten moeten hun landbouwsubsidies met 70 procent afbouwen, de EU-steun aan de landbouw moet omlaag met 60 procent. Zowel de VS als de Europese landen moeten hun tariefmuren met 54 procent verlagen.
Deze maatregelen dienen om ontwikkelingslanden meer toegang tot westerse markten te geven. Niet voor niets wordt de Doha-ronde ook wel de ontwikkelingsronde genoemd; ze is ooit gestart om arme landen meer te laten profiteren van de wereldhandel.
In ruil daarvoor dienen ontwikkelingslanden, waartoe ook India, China en Brazilië worden gerekend, hun invoertarieven op industriële producten sterk te reduceren, zodat het westen op zijn beurt toegang krijgt tot deze landen.
Optimisten denken bovendien dat regeringsleiders van de VS, de EU, Brazilië en India meer zullen toegeven dan in het verleden, omdat het voor de meesten de laatste kans is een handelsakkoord tot stand te brengen. De Amerikaanse president Bush draagt binnenkort het presidentschap over. Als democraat Barack Obama de nieuwe president wordt, lijkt een handelsakkoord verder weg dan ooit. De Democraten – die sterk leunen op vakbonden en niets zien in vrije handel – zijn een stuk protectionistischer dan de Republikeinen.
De voedselcrisis, die met name arme landen raakt, roept volgens optimisten ook om verdere liberalisering van de handel. De afbouw van landbouwsubsidies en openstelling van grenzen voor de import zijn belangrijk bij het bestrijden van de crisis, meent Robert Zoellick, president van de Wereldbank. Hij noemt een doorbraak in de Doha-ronde essentieel én dichterbij dan ooit.
Ondertussen blijven sceptici erbij dat juist nu een handelsakkoord geen kans van slagen heeft. Veel landen reageren op de voedselcrisis met beschermende maatregelen.
Vietnam en Thailand bijvoorbeeld stelden onlangs exportrestricties op rijst in, om de eigen bevolking te kunnen blijven voeden. En de Franse president Nicolas Sarkozy, sinds 1 juli voorzitter van de Europese Unie, zei recent dat het opengooien van de grenzen de Europese landbouwproductie enorm terugdringt.
Ook de Amerikanen beschermen hun boeren meer dan in het verleden. Vorig jaar keurde de Senaat een nieuwe Farm Bill goed, die de boeren een subsidie van 286 miljard dollar (197 miljard euro) voor de komende vijf jaar geeft. Dat bedrag ligt hoger dan in het verleden.
Maar, brengen de optimisten daar weer tegenin, er is een kans dat het Huis van Afgevaardigden deze wet niet goedkeurt. Dat brengt een handelsakkoord volgens hen weer een stapje dichterbij.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.



Stuur artikel door