De litanie van milieu-angsten
De litanie van milieu-angsten
U bekijkt nu: pagina 1 van 4.
'De kosten van het Kyoto Protocol voor de deelnemende landen bedragen enkele honderden miljarden dollars per jaar. Daar staat een netto temperatuurverlaging tegenover van 0,02 (twee honderdste!) graad Celsius in 2050. Dat is op een normale thermometer niet waar te nemen.' Al vijftig jaar wordt de westerse wereld geteisterd door een steeds langere litanie van milieu-angsten. Volgens econoom Hans Labohm, als gastonderzoeker verbonden aan Instituut Clingendael, is er geen wetenschappelijke grond voor dit alarmisme. Waarom is het dan toch zo succesvol? 'Het doemdenken appelleert aan archetypische denkbeelden: apocalyptische visies die door de eeuwen heen steeds weer in nieuwe gedaanten opduiken.'
Sinds de jaren zestig is de zorg voor het milieu sterk toegenomen. Zodanig zelfs dat we bereid zijn grote bedragen uit te geven aan allerlei milieumaatregelen, zonder dat we ons afvragen of die wel efficiënt zijn. De laatste tijd zijn echter verschillende wetenschappers tegen de excessen op dit gebied in het geweer gekomen. De bekendste onder hen is de Deen Bjørn Lomborg die in zijn boek 'The Skeptical Environmentalist' een frontale aanval opende op het wijdverbreide geloof dat de mensheid wordt bedreigd door catastrofes als gevolg van de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, milieuvervuiling, klimaatverandering enz.. Deze opvatting wordt door Lomborg als de 'litanie van milieu-angsten' aangeduid. Hiermee geeft hij treffend uitdrukking aan de bij velen sluimerende scepsis over de boodschap van vele milieuactivisten en het fanatisme waarmee een aantal van hen hun doelstellingen probeert te verwezenlijken. Lomborg ontkent niet dat er milieuproblemen zijn, maar hij bestrijdt dat we op weg zijn naar de afgrond.
Zijn boek kan worden beschouwd als een reactie op een ander boek, 'Silent Spring' (1962) van Rachel Carson, dat de stoot gaf tot de oprichting van de milieubeweging. Lomborgs boek kan ook worden gezien als een afwijzing van de boodschap van het eerste rapport aan de Club van Rome, 'Limits to Growth' (1972), van Dennis Meadows e.a., waarin de wereld werd gewaarschuwd voor allerlei rampen.
Op bijna alle terreinen, die de litanie bestrijkt, toont Lomborg aan de hand van officiële statistieken aan dat de situatie de laatste decennia is verbeterd. Het kwam hem op een overvloed aan afkeurende reacties te staan van wetenschappers die zich door zijn boek in hun eer en goede naam aangetast voelden. Hij kreeg in Denemarken zelfs een proces aan de broek. Het vonnis luidde dat hij 'handelde in strijd met de wetenschappelijke regels'. Maar zowel deze uitspraak als de procedure die daarbij was gevolgd, gaf weer aanleiding tot een golf van verontwaardiging onder andere wetenschappers die sympathiseerden met Bjørn Lomborg. Dit leidde tot een nieuw onderzoek in hoger beroep, als gevolg waarvan Bjørn Lomborg van alle blaam werd gezuiverd.
Eén ding is duidelijk: als het om het milieu gaat, gaat het hard tegen hard, zelfs onder wetenschappers. Daarbij rijst de vraag hoe neutraal en objectief de wetenschap nog is op dit terrein.
Schuldgevoel
Met een zekere regelmaat wordt de wereld opgeschrikt door de aankondiging van naderend onheil. In de tijd van de zondvloed kwam de waarschuwing nog van 'boven' in de vorm van een 'goddelijke aanwijzing'. Thans begint het meestal met een 'wetenschappelijke' publicatie die op basis van modelstudies concludeert dat ons in de nabije toekomst allerlei rampen zullen treffen. Dergelijke publicaties worden steevast gevolgd door krantenkoppen die deze apocalyptische toekomstvisioenen nog versterken, terwijl de tv vertegenwoordigers van de milieubeweging opvoert die met een van onheil bezwangerde blik bevestigen dat de toestand inderdaad zéér, zéér ernstig is. Maar, zo voegen zij eraan toe, als de mensheid zijn gedrag verandert, is het nog niet te laat! Niet zelden mondt dit alarmisme uit in een pleidooi voor de implementatie van het Kyoto-verdrag dat gericht is op de vermindering van de uitstoot van door de mens veroorzaakte broeikasgassen, zoals CO2, die tot een catastrofale opwarming van de aarde zouden leiden.
Enige weken geleden was het weer raak. Dit keer was het een artikel dat op 8 januari in het wetenschappelijk tijdschrift Nature verscheen waarin Chris Thomas met 18(!) co-auteurs beweerde dat de opwarming van de aarde volgens de projecties van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change: een soort klimatologische denktank van de wereldgemeenschap) leidt tot het uitsterven van meer dan een miljoen soorten dieren en planten, afhankelijk van de temperatuurstijging.
Een korte zoektocht op internet naar de kritieken op het artikel van Thomas c.s. leert echter dat het hier hoogstwaarschijnlijk gaat om een door de computer gegenereerd virtueel verlies aan biodiversiteit dat weinig met de werkelijkheid heeft te maken.
De onderzoekers hebben dit getal berekend door het effect van temperatuurstijging op een zeer kleine en niet-representatieve steekproef van dieren en planten te extrapoleren naar alle dieren en planten. Het betrof hier ruim 1000 soorten in een beperkt aantal klimaat'enveloppen' (gebieden met bepaalde klimaatkenmerken waar de betrokken dier- en plantensoorten zijn te vinden). Dat komt neer op slechts 0,008 procent van het (geschatte) totale aantal dier- en plantensoorten. Bovendien zijn zij uitgegaan van een theorie (uit 1859) die stelt dat er een vaste verhouding is tussen de omvang van de habitat en biodiversiteit: als de habitat krimpt, neemt het aantal soorten af. Maar deze verhouding is in wezen niet rigide. Soorten passen zich aan, zoals we sinds Darwin weten. Bovendien is er naast inkrimping van habitat op de ene plaats weer uitbreiding van habitat op een andere plaats. Voorts komen er van vele dier- en plantensoorten ook populaties voor buiten hun dominante klimaat'envelop'. Daarnaast is in de eerste helft van de 20ste eeuw de temperatuur ook met een halve graad gestegen. Als dieren en planten deze periode hebben weten te overleven - en er is voor deze periode niets bekend van massale verdwijning - dan dient daaruit te worden geconcludeerd dat zij kennelijk niet zo erg kwetsbaar zijn voor klimaatverandering. Ten slotte geldt dat planten zich bij een CO2-rijkere atmosfeer prettiger voelen bij iets hogere temperaturen.
Hoe komt het dan toch dat bladen als Nature het af en toe niet kunnen laten om dit soort wetenschappelijk broddelwerk prominent te publiceren? En hoe komt het toch dat de media zo moeilijk weerstand kunnen bieden aan de verleiding om dit soort ongefundeerde onheilsprofetieën kritiekloos te verspreiden? En meer in het algemeen: waarom hechten brede lagen van de bevolking geloof aan dit soort alarmistische uitlatingen?
Een deel van de verklaring zou kunnen zijn dat het doemdenken appelleert aan archetypische denkbeelden die in de westerse beschaving een belangrijke plaats innemen: apocalyptische visies die door de eeuwen heen steeds weer in nieuwe gedaanten opduiken.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- 3
- 4
- volgende pagina





Stuur artikel door