NESTHULP VOOR GRAAFBIJEN EN -WESPEN
NESTHULP VOOR GRAAFBIJEN EN -WESPEN
U bekijkt nu: pagina 1 van 2.
Het gaat slecht met veel soorten insekten. Iedereen weet dat veel dagvlinders zeldzaam zijn geworden en dat in de afgelopen decennia minstens vijftien soorten binnen onze grenzen zijn uitgestorven. Er is heel veel publiciteit geweest over de herintroductie uit het buitenland van twee verdwenen soorten pimpernelblauwtjes, een experiment dat waarschijnlijk geslaagd is.
Vlinders 'hebben het geluk' populair te zijn. Daardoor wordt hun achteruitgang eerder opgemerkt dan van andere insekten. Tot de weinig geliefde insekten behoort de grote groep van de vliesvleugeligen. Dat zijn de mieren, de wespen en de bijen. Het is waarschijnlijk de meest bedreigde insektengroep in ons land. Rode bosmieren worden goed beschermd, maar veel soorten van de heidevelden en de bossen verdwijnen uit het landschap. Solitaire bijen en wespen - soorten dus die in hun eentje voor hun kroost zorgen - nestelen bij voorkeur in zandverstuivingen, op zonnige, droge, zandige plekken op dijken en in wegbermen of in steile kantjes van zandafgravingen, kuilen, uitgesleten paadjes en oevers. Andere maken nestjes in dood hout of in holle stengels. In het intensief gebruikte landbouwgebied hebben ze niets meer te zoeken. Het is er te 'netjes'. Het is een opgeruimd landschap: dood hout wordt verwijderd, braamstroken om de percelen worden opgeruimd en het gebruik van onkruidverdelgingsmiddelen maakt de groei van planten onmogelijk, waar deze insekten van afhankelijk zijn.
Veel solitaire bijen en wespen zijn gespecialiseerd op een of enkele plantesoorten, waar ze het stuifmeel en de nectar van halen.
Op hun beurt zijn die planten voor hun bestuiving afhankelijk van die bijen en wespen. Graafwespen zijn rovers, die vaak op een soort prooi jagen, zoals de rupsendoders, vliegendoders, snuittordoders, spinnendoders en sprinkhaandoders. Ze verdwijnen waar hun prooidieren zelf ook geen voedsel meer vinden.
Verzuring
Ook buiten de cultuurgebieden verdwijnen soorten vliesvleugeligen. Een van de oorzaken is de verzuring, waardoor de begroeiing verandert. Veel insekten die vroeger op de heide of in zandverstuivingen leefden, zijn daar nu niet meer te vinden. Ze zijn niet uitgestorven, maar hebben hun leefgebied verplaatst. Verscheidene hebben hun oorspronkelijke leefgebied verruild voor spoorwegemplacementen en andere onbebouwde plaatsen in steden. Datzelfde is ook van planten vastgesteld.
Bijenwolven zijn wespen, die op honingbijen jagen. Jarenlang heeft men gemeend dat ze in ons land waren uitgestorven. In de zandverstuivingen waar ze voorheen voorkwamen, waren ze niet meer te vinden. Tegenwoordig leven bijenwolven op de zandlanden rondom de steden, de opgespoten terreinen voor stadsuitbreiding. Verschillende bijen komen vrijwel alleen in stedelijke milieus voor. De bekendste zijn de sachembij en de wolbij.
Vorige zomer zag ik in de Hortus Botanicus midden in Amsterdam behangersbijtjes bezig op de bloemen van de daar geplante heelblaadjes. Vosbijtjes bevliegen op dit moment de geelsterretjes in de gazons van Artis. De beide laatste zijn in het buitengebied ook nog redelijk gewoon, maar hebben inmiddels de stad ook als leefmilieu aangenomen.
Bijen en wespen zijn interessant. Dat ontdek je als je ze een tijdje observeert. Dat kan in de eigen tuin door nestgelegenheid voor ze te maken. Daarmee help je die insekten ook nog een handje.
Bijenpotjes
Het eenvoudigst is in de huismuur een paar gaten te boren. Je verzwakt daar de muur echt niet mee. Metselwespen maken daar gebruik van. Metselbijen stellen andere eisen, zoals we eens ontdekten, toen een metselbijtje zijn nest maakte in een zijdelingse holte van een keramiekje, dat in de vensterbank stond.
Het bijtje vloog door het open raam in en uit om het nestje te provianderen. Naar aanleiding van dit geval bakte Willemijn bijenpotjes in dezelfde vorm als de holte in het keramiekje (doorsnede vliegopening 1,4 cm, diepte van de holte 3 cm, inwendige breedte 3 cm). De buurt lachte: 'Zulke kleine vogeltjes leven hier toch niet?'
Tot nu toe huizen er alleen spinnen in. Soms komt in de zomer een goudwesp kijken, een parasiet die zijn eitjes in andermans nest legt. Er valt nog niets te leggen, want de bijtjes zijn nog niet gekomen. Wel metselwespen in de geboorde gaatjes in dezelfde muur.
Insektenmuur
IVN-er Pieter van Breugel uit Veghel heeft nogal wat ervaring met nesthulp aan insekten. Met mede-vrijwilligers maakte hij een 'insektenmuur' om kinderen en volwassenen bijzondere insekten van dichtbij te laten zien. Van hem kreeg ik flink wat tips voor het maken van nestholten. Je kunt ze gemakkelijk maken in blokken hout.
Boor diepe en ondiepe gaten van verschillende doorsnee (3 tot 10 mm) zowel in de zijkanten als in de boven- en onderkant en hang zo'n blok met een ophangoog aan een zonnige muur. Denk erom: niet carbolineren of verven; die stoffen weren insekten af en hoe meer het hout verweert, hoe aantrekkelijker de bijtjes en wespen het vinden.
In de verschillende seizoenen komen er verschillende soorten in nestelen, in de zomer in de grootste soms behangers- en wolbijen. Wie het te veel werk vindt, kan natuurlijk ook zulke gaatjes boren in oude biels, die toch al sinds de aanleg van de tuin aanwezig is, maar doe dat dan wel op plekken die in de volle zon liggen.
Heel kleine zwarte graafwespjes nestelden ooit bij honderden in een rietmat, die de afscheiding van onze tuin met die van de buren vormde. Dorre rietstengels kun je tussen vier plankjes samendrukken en gelijksnijden en dan als horizontaal blok ophangen. Rechte vliertakken (eenjarige scheuten) zijn met zacht merg gevuld, waarin bijen en wespen zelf gangen kunnen uitknagen. Ook afgesnoeide takken van buddleia en boerenjasmijn zijn daar geschikt voor. Hang daarvan bundeltjes zowel verticaal als horizontaal aan de muur. Je kunt hetzelfde doen met dode holle braamstengels of stukken bamboe. Ook stukken vermolmd hout zijn geliefd bij bepaalde soorten, vooral als je er eerst wat gaatjes in boort.
Hang al die nestgelegenheden vooral op in de zon, want daar geven alle vliesvleugeligen de voorkeur aan.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- volgende pagina





Stuur artikel door