Een opwarmertje over het leven van Gerard Reve
Theodor Holman schreef een gezellig, goed leesbaar, maar oppervlakkig boek over Gerard Reve. Het wachten is op de échte biografie van de volksschrijver.
Van de echte biografie van Gerard Reve, geschreven door Reve-deskundige Nop Maas, zal komend najaar het eerste deel verschijnen. Maar nu is er alvast ’Gerardje’ van Theodor Holman: een biografietje, zou je kunnen zeggen. Op uitnodiging van wijlen Martin van Amerongen begon Reve-fan Holman begin jaren negentig aan een ’vie romancee’ over Reve voor de De Groene Amsterdammer maar die vorm bleek te hoog gegrepen, zo meldt de schrijver zelf. Holman vormde zijn reeks om tot de nu gebundelde ’notities’; een gezellig, geestig, droevig portret, meldt de achterflap.
Gerard Reve
Kwesties genoeg om eens onder de loep te nemen: Waarom werd Reve katholiek? Was hij eigenlijk al homoseksueel toen hij trouwde? Is het niet ironisch dat Harry Mulisch hem zijn ironie verweet? Was zijn racisme werkelijk gemeend? Wat was de invloed van zijn vader die ook schrijver werd? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn?
Veelbelovend is alvast het eerste hoofdstuk waarin Holman zijn eerst ontmoeting met zijn idool beschrijft in een weekend in 1998. Holman belandt met een gehavende taart bij Joop en Gerard in Dienze. ’s Avonds ligt er naast zijn bed een seksueel prentenboek met meisjes voor hem klaar. De oude schrijver is in vorm, dat weekend. Ze babbelen wat over Reve’s laatste roman ’Het hijgend hert’, over Toergenjev, over de slechte staat van de Nederlandse literatuur (alleen Rascha Peper kan er mee door volgens Reve en zijn vriend Joop), over Schopenhauer en communisme en over broer Karel die Reve naar eigen zeggen haat sinds hij over Reve’s huis in Frankrijk schreef dat het maar één raam had dat uitkeek op een blinde muur. Het soort anekdote waar een biografie, ook een zonder pretenties, van opleeft.
In het vervolg van zijn notities moet Holman het echter met de papieren Gerard doen, en hoewel ook Reve’s romans en brieven, de secundaire literatuur en gesprekken met vrienden en familieleden, voldoende ’smakelijke relletjes’ opleveren, mis je in het vervolg wel de zoete melancholie van die eerste ontmoeting.
Holman gaat in eenenzestig hoofdstukken in discussie met alle paradoxen in Reve’s werk en leven. Dat zijn er nogal wat. Het rode nest van de best aardige ouders die Reve in ’De Avonden’ terugbrengt tot hun vervelende hebbelijkheden; de aanvankelijk goede verhouding met de later gehate broer, het niet zo slechte huwelijk met dichteres Hanny Michaelis dat toch spaak loopt als zij Gerard bij thuiskomst ’zuigend aan een ei aantreft’; Reve’s decadente hang naar mystiek.
Holman besteedt drie hoofdstukken aan het tumult rondom Reve’s racisme. Hij verdedigt de schrijver tegen Mulisch’ beschuldiging dat Reve een racist was door te stellen dat hij altijd koos voor een ironische levenswijze. Hij was een katholiek met een hekel aan katholieken, een kunstenaar met een weerzin tegen kunstenars, een homoseksueel die lang geen homo wilde zijn, een gelovige die wist dat God niet bestond. Een man met een flinke zelfhaat, als je het zo samenvat, maar Holman beredeneert vrij overtuigend dat het om twee niveaus gaat die altijd van elkaar onderscheiden dienen te worden. Wat je voelt hoef je niet altijd te vinden. „Beschaafde mensen zijn geen racist, maar wat doe je dan als je bang bent voor het zwarte ras en je kunt het niet wegredeneren.” Een ironicus meent misschien wel wat hij zegt, zoals Mulisch’ beschuldiging luidde, maar het tegendeel is ook altijd waar.
Holman blijft in zijn notities welbewust aan de oppervlakte. Grote vragen krijgen snelle antwoorden. Gerard zei zelf dat ’verlossing’ het belangrijkste thema in zijn werk was, maar waarvan wilde hij verlost worden, vraagt Holman zich hardop af. Van zijn ouders mogelijk, van de bekrompen seksuele moraal vast. En waarom dronk Gerard? Tja, we weten het niet. Hij doet er wel als een van de eersten niet moeilijk over. Is Gerard in die tijd misschien ongelukkig?
De beknoptere biografie dient vaak een gericht, polemisch doel, maar zo’n beperking legt Holman zichzelf niet op. Alles komt voorbij, alleen niets wordt uitputtend uitgezocht. De fan bewondert zonder reserve: ’Wat een briljantie!’ roept hij ergens uit. Het maakt van dit portret een heel gezellig, goed leesbaar, maar niet heel schokkend opwarmertje, een aperitief bij het echte werk: ofwel een terugkeer naar Reve’s romans en brieven, ofwel verdere verdieping via de echte wetenschappelijke biografie die binnenkort verschijnt.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
Theodor Holman: Gerardje, Notities van een Reve-liefhebber. @ Mets & Schilt, Amsterdam. ISBN: 9789053306499; 320 blz. €19,90





Plaats een reactie
Stuur artikel door