Harry Mulisch / Nu moeten anderen het maar doen
tien geboden
Harry Mulisch (Haarlem, 1927) is schrijver. Met zijn debuut ’Archibald Strohalm’ won hij in 1951 de Reina Prinsen Geerligsprijs. Inmiddels heeft Mulisch tientallen romans, verhalen en essays op zijn naam staan. Hij kreeg onder meer de Constantijn Huygensprijs, de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse letteren voor zijn hele oeuvre. Dit jaar werd ’De ontdekking van de hemel’ gekozen tot de beste Nederlandse roman aller tijden.
Dat God in 4004 voor Christus in zes dagen tijd de aarde heeft geschapen, dat is toch gewoon een goeie grap?
I. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
„Ik heb het grote geluk gehad dat mijn ouders mij niet christelijk maar ook niet atheïstisch hebben opgevoed. Ze hadden het nooit over God. De woorden Jezus Christus hoorde ik voor het eerst op school. Ik herinner me nog goed hoe het in de geschiedenisboekjes stond. ’Honderd jaar voor Christus: de Batavieren komen in ons land.’ Dat vond ik al raar. Ons land? Het was juist níet ons land want de Germanen kwamen. En ons land, dat was niet het Utrecht-Voorschoten-Leiden van nu, maar een grote modderige vlakte, een rotzooi, waar het almaar regende en rare dieren rondliepen. Goed. ’Vijftig jaar voor Christus: de Romeinen komen in ons land’. Ik weet nog dat ik dacht: wat gebeurde er dan in het jaar nul? Daar kon maar één antwoord op mogelijk zijn: Christus komt in ons land!
Ik vond het letterlijke verhaal van de schepping ook zo wonderlijk. Dat God in 4004 voor Christus – op een vrijdag om half drie, heeft een Engelse bisschop in de Middeleeuwen uitgerekend – in zes dagen tijd de aarde heeft geschapen, dat is toch gewoon een goeie grap? Zes dagen is verdraaid vlug om van een amoebe tot iemand als Einstein te evolueren, maar als je de evolutie in een ruimere tijdsduur bekijkt, een van miljoenen en miljoenen jaren, ja, dan zou het haast gek zijn – met alle voorwaarden die er bestonden – als de aarde níet was ontstaan. Maar God? Nee. Als ik aan God zou geloven, had ik toch ook nooit een boek als ’De ontdekking van de hemel’ kunnen schrijven? Ik begrijp het godgevoel wat tegenwoordig Ietsisme wordt genoemd heel goed, want ja: er moet toch wel iets zijn? Het moet alleen niet leiden naar het idee dat alles waar is wat in de Bijbel staat. Dat is een woestijngodsdienst, een godsdienst voor bedoeïenen. Ik heb vaak dingen meegemaakt die mij verbaasden, maar ik heb nooit gedacht dat God erachter zat want waarom doet Hij dat dan bij mij en niet bij een ander? Er is iets. Verder kom ik niet. Wie of wat heeft bijvoorbeeld bepaald dat vandaag, de dag waarop jij mij komt interviewen over de Tien Geboden, een tekst die zo’n grote rol speelt in ’De ontdekking van de hemel’, in Düsseldorf een manuscript over het ontstaan van de wereld uit de vijftiende eeuw is gevonden dat, net als mijn boek, begint met een gesprek tussen engelen in de hemel?”
II. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
„Ik ben voor een beeldenstorm, maar dan: een storm van beelden. Ik ben veel liever in een kathedraal dan in zo’n protestantse kerk. In het zuiden van Nederland gaat het nog wel, maar hier is het allemaal zo kaal. Alles moet uitgedund. Less is more. In de literatuur zie je dat ook. Nescio wordt een groot schrijver genoemd terwijl hij in iedere andere literatuur gezien zou worden als: mwah, wel aardig, een marginale schrijver.
Ik hou niet van kaal. Ik hou van Shakespeare, van het tweede deel van Faust, van een toneelstuk van Sofokles: stampvol betekenis en beelden. Ik geloof niet aan Griekse goden en wat die archeoloog, Schliemann, in Troje heeft gedaan: proberen op te graven wat hij in de Ilias heeft gelezen, dat vind ik eigenlijk kinderachtig. Wat doet het ertoe of King Lear echt heeft bestaan? Hij bestaat, in boeken. Wees nou blij met wat je hebt.”
III. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
„In Nederland bestaat vrijheid van meningsuiting en expressie. Dat wil ik graag zo houden, maar uit de incidenten rond de islam van de laatste tijd blijkt dat die vrijheid er niet meer is. Zodra een museumdirecteur geen foto’s durft op te hangen van twee mannen met maskers – een van Mohammed en die ander van, wie was het? Zijn neef Ali? – is er geen vrijheid van meningsuiting meer. De jure wel, de facto niet. Ik kan het daar niet mee eens zijn, maar ik voel er ook niets voor om mij ertegen te verzetten. Het is een wespennest. En ik heb het al eens meegemaakt, in de Tweede Wereldoorlog. Als je in die tijd een grap over Hitler maakte, werd je naar een concentratiekamp afgevoerd. Zo erg is het nog niet – laten we hopen dat het nooit zo erg wordt – maar voor mensen van mijn leeftijd is dit niet nieuw. De geschiedenis herhaalt zichzelf, maar ik doe dat niet. Nu moeten anderen het maar doen.”
IV. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
„Ik laat me niet van mijn werk houden, zelfs niet door God.”
V. Eer uw vader en uw moeder
„Eren, eren, wat is nou eren? Ik ben niet iemand die zegt: mijn moeder was de liefste vrouw die ik ooit... dat kleffe gedoe! Wij zijn nooit zo familieziek geweest. Nee, met mijn moeder kon je lachen en mijn vader... enfin, toen bestond het oedipuscomplex nog – als ik het goed begrijp, bestaat het nu niet meer – maar ik heb veel van hem geleerd. Sterrenkunde, filosofie: daar was hij goed in. Hij was een Oostenrijks-Hongaarse artillerieofficier, een man van de wereld. Ik herinner me dat we samen tijdens de oorlog in de schouwburg waren. Hij droeg een monocle. Niet aan een touwtje, nee, echt alleen dat glas. Op een gegeven moment valt, om een of andere reden, dat ding aan scherven. Ieder ander zou schrikken, maar mijn vader vertrok geen spier, haalde uit zijn vestzak een ander monocle, zette het voor zijn oog en praatte rustig verder. Ik weet nog dat ik dacht: dat haal ik nooit!
Dat hij collaboreerde met de Duitsers – hij was beslist geen nazi, hij was er door zijn connecties in de financiële wereld in verzeild geraakt – deed geen afbreuk aan het beeld dat ik van hem had. De paradox is dat hij er door diezelfde connecties voor heeft kunnen zorgen dat mijn moeder niet op haar 33ste is vergast, maar 88 is geworden.
Met een Joodse moeder en een vader die een radertje was in de Endlösung verkeer ik in een eigenaardige, onkwetsbare positie. Mijn vader is opgepakt, maar nooit veroordeeld. Hij heeft drie jaar in zogenaamd voorarrest gezeten. Toen hij uit gevangenschap kwam, was hij een gebroken man. Depressief, vooral ook door de vreselijke dingen die hij als officier in de Eerste Wereldoorlog had meegemaakt.
Ik zie hem zo weer voor me. Het klinkt misschien raar, maar voor mijn gevoel was ik gisteren nog vijftien, zestien. Volgens mijn vader groeide ik op voor galg en rad. Ik werd van school gestuurd, wilde niet deugen. In het kamp, waar hij door ouderdomsdiabetes tijdelijk blind was, wilde hij me de les nog lezen. Terwijl hij daar, een collaborateur, blind lag te wezen, wilde hij mij vertellen hoe ik moest leven! Ik zei: het komt best in orde. Toen ik ging schrijven en prijzen kreeg, was hij heel trots, maar ik had liever gehad dat hij trots was geweest vóórdat andere mensen zeiden dat ik iets kon.
Hij stierf toen ik dertig was. Ik ben meteen van Haarlem naar Amsterdam verhuisd. Ik hoorde daar niet meer. Mijn moeder woonde toen al jaren in Amerika. Dat ik haar, met name in haar laatste jaren, vaak heb opgezocht, zou je een vorm van eerbied kunnen noemen. Ik heb met haar een andere band gehad. Mijn ouders waren gescheiden, ik woonde bij mijn vader, dat maakt een groot verschil. Eens per week was ik bij haar in Amsterdam. Haar moeder en haar grootmoeder woonden om de hoek. Op een dag werden ze opgehaald. Niemand wist dat ze vermoord zouden worden. Na de oorlog, toen ze maar niet terugkwamen, toen ik de fotoboeken zag waarop je kon zien hoe bulldozers honderden lijken in kuilen schoven* maar zelfs op dat moment drong het niet tot me door dat mijn oma en mijn overgrootmoeder dood waren, dat ze daar tussen moesten liggen. Achteraf kan ik alleen maar hopen dat mijn overgrootmoeder het transport niet heeft overleefd. In een beestenwagen naar Sobibor, dat is een eind rijden hoor, voor een vrouw van 85* Ik weet dat ik die boeken bij mijn moeder thuis heb gezien, maar ik kan me niet herinneren dat we er veel over gesproken hebben. Mijn moeder was een uiterst nuchtere vrouw. Bovendien hebben we elkaar toen ook een tijdje niet gezien. Enfin. Wat ik je zei: wij zijn nooit zo familieziek geweest. Mijn vriendin komt uit een gezin van elf kinderen en die hebben zelf ook allemaal weer kinderen. Er is er altijd wel iemand jarig en dan moet er weer een feestje gevierd worden. Dat ken ik niet. En eerlijk gezegd: dat hoeft voor mij ook niet zo.”
VI. Gij zult niet doodslaan
„Toen Eichmann in Argentinië werd gearresteerd – hoorde ik van iemand die het kon weten – hebben tientallen mensen zich als beul aangeboden: geef mij een bijl, dan hak ik eigenhandig zijn kop af! Maar toen hij ter dood was veroordeeld, moesten ze een soldaat aanwijzen om de hendel over te halen omdat niemand het wilde doen. Moorden, uit wraak: dat willen mensen wel, maar doden, nee, dat laten ze toch liever aan de staat over. Men doodt niet. Dat doe je niet.
Zelfdoding? Kom zeg, ik heb wel iets leukers te doen. Al vind ik de gedachte dat je, als je vreselijke pijn lijdt en weet dat er geen eind aan komt, iets kunt regelen in Nederland wel troostend. Maar goed, dat is iets waar ik me niet mee bezig houd. Heb ik nooit gedaan. Neem die maag, die moest eruit. Vroeg ik naderhand aan mijn internist: ’Hoe groot was eigenlijk de kans dat ik dit zou overleven?’ Zegt ’ie: ’Tien procent.’ ’Dat heb ik nooit geweten!’ ’Je hebt het me ook nooit gevraagd.’ Het kwam niet in mijn hoofd op, echt niet. Inmiddels ben ik op een leeftijd die veel van mijn collega’s niet eens hebben gehaald. Ik weet dat het sterven dichterbij komt. Daarover kan ik denken, daar kan ik bang voor zijn, hopen dat het niet te pijnlijk is, maar de dood? Dood is dood. Ik geloof niet dat er iets is na de dood en als er niets is, waar moet ik dan aan denken?”
VII. Gij zult niet echtbreken
„Je bedoelt: getrouwd zijn en toch met een ander de koffer induiken? Tuurlijk heb ik dat gedaan. Ik had altijd één vaste vriendin, de rest was baldadigheid. Soms wist de vrouw met wie ik was dat ik er anderen op na hield. Soms wist ze het niet. Ik heb het niet altijd gezegd – sommige dingen kun je beter geheim houden. Bovendien: stel dat ze er geen moeite mee had gehad? Dan zou ik er helemaal de pest in hebben gekregen! Dus het kan je niets schelen? Wat krijgen we nou?
Ik ben altijd een levenslustig type geweest. Op een dag stuurde mijn moeder mij een knipsel uit een Amerikaanse krant waarin stond dat ik een feest had gegeven om mijn tweeduizendste verovering te vieren. In de kantlijn had ze geschreven: ’Eigenaardig om zoiets over je eigen zoon te lezen.’ Ik heb me aan dat bericht geërgerd: alsof ik al die keren zou hebben geturfd! Het hadden er net zo goed drieduizend kunnen zijn, of vijftienhonderd. En dat ik daar een feest voor zou geven, het idee! Iemand heeft dat verhaal dus de wereld in geholpen. De feiten kloppen niet, maar dat ik geroemd werd om mijn levenslustigheid, ja, dat vond ik wel prettig. Mijn ouders waren ook levenslustig. Het zit kennelijk bij ons in de familie, dat soort malligheid.
Ik wil zelf liever geen levenslustige vrouw, dat zie je goed. Ik zou het nooit accepteren als mijn vriendin met een ander naar bed ging. Ik weet niet waar dat mee te maken heeft. Trots? Of instinct? Misschien komt het doordat vrouwen kinderen kunnen krijgen en mannen niet. Ik heb drie kinderen maar ik weet niet voor honderd procent zeker of ze van mij zijn. Het is wel zo en je kunt het zien, maar toch... Dat is zo mooi in de joodse wetgeving: je bent pas Jood als je een Joodse moeder hebt. Een vader weet nooit voor honderd procent zeker of hij de vader is. Ook de moeder weet niet altijd voor honderd procent zeker of de vader de vader is. Maar de moeder is wel altijd, honderd procent zeker, de moeder.
Of er nog meer kinderen van mij rondlopen weet ik niet. Die kans is natuurlijk niet nul. Er heeft hier wel eens iemand aangebeld, maar het was al vrij snel duidelijk dat het haar alleen om geld ging. Als het echt zo is, als iemand kan aantonen dat ik de vader ben, zal ik dat netjes oplossen, maar ik geloof niet dat ik zoiets nog ga meemaken. De levenshoudbaarheid is zo langzamerhand wel verlopen.
Ik ben nu met één vrouw. Met die levenslust is het wel zo’n beetje gedaan. Het was ook een tijdrovende bezigheid: die Frauengeschichten, boeken schrijven, tot vier uur ’s nachts naar De Kring* Ik heb nergens spijt van. Als ik me aan de regels van de Bijbel had gehouden, had ik spijt gehad. Nu niet.”
VIII. Gij zult niet stelen
„Waarom zou ik van andere schrijvers stelen? Ik weet het zelf veel beter.”
IX. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
„Er is een boekje verschenen: Bestrijd het leed dat Mulisch heet. Heb je het gezien? Alleen maar roddel en achterklap, kinnesinne en flauwiteiten. Studentikoos gedoe. Ik heb er geen last van hoor. Stel je voor dat ze zo’n boekje over Hermans hadden geschreven, dan had ik toch gedacht: waarom hij wel en ik niet?
Ja, de Cuba-affaire, dat is één van die kwesties die steeds weer terugkomen. Die jongens willen dat je door het stof gaat; dat je zegt: ja, ik ben fout geweest in de jaren zestig. Nou, dat genoegen doe ik ze niet! Aan de goede bedoelingen van Castro heb ik nooit getwijfeld. Fidel Castro is een eerlijk mens. Natuurlijk zag ik op Cuba dingen die mij ook niet bevielen, maar er werd al zoveel onzin over dat land geschreven dat ik het nodig vond daar een tegenwicht aan te geven.
Je hebt gelijk als je zegt dat ik mede door mijn eigen opstelling vaak het mikpunt van spot ben en het kan me eigenlijk nooit zoveel schelen, maar het hangt ervan af wíe het doet. Ik was verbaasd en kwaad toen Ischa Meijer mij in een van zijn Dikke Man-columns in Het Parool uitmaakte voor een ’Halfjoodse Haakneus’. Dat was een racistische opmerking van een jongen die nota bene zelf, wat het Jodendom betrof, de grootste problemen had. Ik vond het raar want hij had me eerder, heel aardig, geïnterviewd. Achteraf heb ik gedacht dat er iets mis moest zijn geweest met zijn hersens. Hij stierf ook niet lang daarna – niet omdat hij mij voor een Halfjoodse Haakneus had uitgemaakt, maar toch wel kort nadat hij dat had gedaan. Als ik had geweten dat die persoonlijkheidsstoornis toen al aan de gang was, had ik anders gereageerd.”
X. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
„Wat schiet je op met verlangen? Je moet het doen of je moet het niet doen. Ik heb een betekenis achter willen laten, onsterfelijk willen worden. Daar heb je niets aan als je dood bent – Beethoven is onsterfelijk voor iedereen, behalve voor zichzelf – maar het is voor nu wel een prettige gedachte. Ik had, toen ik een jaar of achttien was en mijn eerste echte verhaal schreef, een wensdroom. Ik had het koud, geen geld voor een kop koffie, om een beetje op te warmen ging ik bij het Centraal Station op zo’n rooster staan en dan fantaseerde ik wat ik nu beleef. Precies zo: dat ik in een warm huis zit, boeken om mij heen, kopje thee erbij en dat jij mij interviewt. Als ik alles overzie, kan ik wel tevreden zijn. Ik ben de Tweede Wereldoorlog doorgekomen, ik heb boeken geschreven die de hele wereld mooi vindt, ik heb twee ziektes overleefd; als het hier ophoudt, moet dat maar. Echt verknoeien kan ik het in ieder geval niet meer.”
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.





Stuur artikel door