Vertaling Judasevangelie
U bekijkt nu: pagina 1 van 4.
Het geheime verslag van de openbaring die Jezus in gesprek met Judas Iskariot vertelde tijdens de week voorafgaande aan de drie dagen dat hij Pasen vierde.
Toen Jezus op aarde verscheen, deed hij tekenen en grote wonderen voor de redding van de mensheid. Terwijl sommigen (wandelden) op de weg van de rechtvaardigheid en anderen op die van de overtredingen, werden de twaalf discipelen geroepen.
Hij begint met hen te spreken over de geheimenissen voorbij de wereld en over wat er zou gebeuren aan het einde. Vaak verscheen Hij niet als zichzelf aan zijn discipelen, maar werd Hij als kind onder hen aangetroffen.
Op een dag was Hij met zijn discipelen in Judea, en Hij trof hen bijeenzittend naar de godsdienstige regel. Toen Hij zijn discipelen (naderde), bijeenzittend en de dankzegging over het brood uitsprekend, lachte (Hij).
De discipelen zeiden tot hem: „Meester, waarom lacht u om ons gebed van dankzegging? We hebben gedaan wat goed is.”
Hij antwoordde en zei tot hen: „Ik lach niet om jullie. (Jullie) doen dit niet omdat jullie het willen, maar omdat jullie God hierdoor geprezen wordt.”
Ze zeiden: „Meester, U bent de zoon van onze God.”
Jezus zei tot hen: „Hoe weten jullie dat over mij? Waarlijk (Ik) zeg jullie, geen geslacht van het volk onder jullie zal dat over mij weten.”
Toen zijn discipelen dat hoorden, werden ze kwaad en woedend en vervloekten hem in hun hart.
Toen Jezus hun gebrek (aan inzicht) zag, (zei Hij) tot hen: Waarom voert deze ergernis jullie tot kwaadheid? Jullie God is binnen in jullie en... heeft jullie in je ziel tot kwaadheid verleid. (Laat) een van jullie die (sterk genoeg) is onder de mensen, de ware mens tonen en voor mijn aangezicht gaan staan.”
Ze zeiden allemaal: „Wij zijn zo sterk.”
Maar hun geest durfde niet voor zijn aangezicht te gaan staan, behalve Judas Iskariot. Hij was in staat voor hem te gaan staan, maar hij kon hem niet in de ogen te kijken, en hij wendde zijn gelaat af.
Judas (zei) tot hem: „Ik weet wie U bent en waar U vandaan komt. U komt uit het onsterfelijke rijk van Barbelo. En ik ben niet waard om de Naam uit te spreken van wie U gezonden heeft.”
Jezus, wetende dat Judas nadacht over iets verhevens, zei tot hem: „Verwijder je van de anderen en Ik zal je de geheimenissen van het koninkrijk vertellen. Jij bent in staat om dat te bereiken, maar je zult veel lijden. Want een ander zal jou vervangen, zodat de twaalf (discipelen) weer aangevuld worden met hun God.”
Judas zei tot hem: „Wanneer gaat U me deze zaken vertellen, en wanneer breekt de grote dag van het licht aan voor het geslacht?”
Maar toen hij dit zei, verliet Jezus hem.
De volgende morgen, nadat dit gebeurd was, (verscheen) Jezus opnieuw aan zijn discipelen. Ze zeiden tot hem: „Meester, waar ging U heen en wat hebt U gedaan toen U ons verliet?”
Jezus zei tot hen: „Ik ging naar een ander groots en heilig geslacht.”
Zijn discipelen zeiden tot hem: „Heer, wat is dat grootse geslacht dat superieur is aan ons en dat heiliger is dan wij, dat niet nu in dit rijk is?”
Toen Jezus dit hoorde, lachte Hij en zei tot hen: „Waarom denken jullie in jullie hart over een sterk en heilig geslacht? Waarlijk (Ik) zeg jullie, niemand die uit de eon geboren is zal dit (geslacht) aanschouwen, en geen engelenleger van de sterren zal over dit geslacht heersen, en geen persoon van sterfelijke geboorte kan er deelgenoot van zijn, want dit geslacht komt van ... dat ... geworden is. Het geslacht van mensen onder (jullie) is van het geslacht van menselijkheid ... kracht die .... (de) andere krachten ... waarmee jullie heersen.”
Toen (zijn) discipelen dit hoorden, raakten ze allen verontrust in hun geest. Ze konden geen woord uitbrengen.
Op een andere dag kwam Jezus naar (hen). Ze zeiden: „Meester, we hebben U in een (visioen) gezien, we hadden vannacht grootse (dromen).”
(Hij zei): „Waarom ... terwijl je je verstopt?”
Zij (zeiden: „We zagen) een groot (huis met omvangrijk) altaar (en) twaalf mannen – ze waren de priesters, dachten we – en een naam; en een menigte mensen wacht bij het altaar (tot) de priesters de offers (brengen). (Maar) we bleven wachten.”
(Jezus zei:) „Hoe zagen (de priesters) eruit?”
Ze (zeiden:) „(Sommigen) ... twee weken, (enkelen) offerden hun eigen kinderen, anderen hun vrouwen, lovend en nederig tegenover elkaar; sommigen slapen met mannen; enkelen doen aan (slachting); sommigen plegen een veelheid aan zonden en daden van wetteloosheid. En de mannen die voor het (altaar) staan, roepen uw (naam) aan, en in al hun daden van tekort worden offers gebracht om te vervullen...”
Nadat ze dat gezegd hadden, waren ze stil, want ze waren verontrust.
Jezus zei tot hen: „Waarom zijn jullie verontrust? Waarlijk, Ik zeg jullie, al die priesters voor het altaar roepen mijn naam aan. Opnieuw zeg ik: mijn naam staat geschreven op dit .... van de sterrengeslachten door de menselijke geslachten heen. (En zij) plantten bomen zonder vrucht, in mijn naam, op een schaamteloze wijze.”
Jezus zei tot hen: „Degenen die de offers van het altaar ontvingen – zo zijn jullie.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.
- Toon heel artikel
- vorige pagina
- 1
- 2
- 3
- 4
- volgende pagina





Stuur artikel door